I. Bepaling en beproevingsmethoden voor uitwendige geleidende delen die aan het apparaat zijn bevestigd
Uitwendige geleidende onderdelen die bevestigd zijn aan of deel uitmaken van een niet-metalen behuizing en een aardweerstand hebben van meer dan 1 GΩ wanneer gemeten bij (500 ± 25) V d.c., en onderdelen die gevoelig zijn voor statische ladingen die ontstekingsbronnen kunnen worden, zoals typeplaatjes, enz.
De capaciteit van dergelijke componenten moet worden bepaald in overeenstemming met de testmethoden die in de relevante paragrafen zijn gespecificeerd.
II. Vereisten voor andere apparaten dan draagbare of individuele apparaten
Indien de gemeten capaciteit van een geleidend onderdeel de waarden in tabel 11 overschrijdt, moet de apparatuur worden gemarkeerd met het passende symbool “X” en moet in de bijzondere gebruiksvoorwaarden de gemeten capaciteit worden gespecificeerd, zodat de gebruiker de toepasbaarheid in specifieke toepassingen kan bepalen. Uitwendige geleidende delen die zich in een zodanige positie bevinden dat niet wordt verwacht dat ze zich naar naderende geaarde voorwerpen zullen ontladen, hoeven niet te worden getest.
Opmerking: ① Over het algemeen wordt aangenomen dat de capaciteit van niet-geaarde metalen bevestigingsmiddelen zoals dekselschroeven niet hoger is dan 3 pF. ② Voor Klasse III apparatuur bedoeld voor gebruik in leidingen waar snel bewegend stof kan voorkomen, wordt een lagere capaciteitslimiet overwogen.

